
IJstijden
Actualiteitsprincipe
Om klimaten van nu te begrijpen hebben wetenschappers onderzoek gedaan naar klimaten van vroeger, de paleoklimaten. Hierdoor kun je de ijstijden in Nederland begrijpen. Je kan het ook juist andersom doen. Door de gebeurtenissen van nu te gebruiken, kan je het verleden begrijpen. Dat noem je het actualiteitsprincipe.
Broeikasgassen
De mens zorgt ervoor dat er steeds meer CO2 in de lucht komt. Daardoor wordt de ozonlaag dikker en wordt het warmer. Omdat het warmer wordt gaat ijs smelten. Doordat het ijs smelt waar CO2 in zit. Waardoor er nog meer CO2 in de ozonlaag komt. Deze reeks gebeurtenissen noem je een terugkoppelingsmechanisme. Zo'n terugkoppelingsmechanisme heb je positief en negatief. Positief betekend dat de gebeurtenissen elkaar versterken, en negatief betekend dat de gebeurtenissen elkaar juist verzwakken.

Ligging van de continenten
Niet alleen de broeikasgassen, en de temperatuur zorgen voor een bepaald klimaat. Ook de ligging van de continenten zorgen voor vele verschillen. In de loop van de tijd zullen ze weer gaan schuiven, waardoor het klimaat weer veranderd. Door kleine veranderingen in temperatuur en broeikasgassen, kunnen dreigende gevolgen hebben.
Oefenvragen
1. Leg uit wat het actualiteitsprincipe is.
Het actualiteitsprincipe is het gebruiken van gebeurtenissen die nu gaande zijn, om het verleden te begrijpen.
2. Wat is het verschil tussen positieve en negatieve terugkoppelingsmechanismen?
Het positieve terugkoppelingsmechanisme zorgt ervoor dat veranderingen is een proces worden verstrekt, en een negatief terugkoppelingsmechanisme zorgt ervoor dat die veranderingen worden verzwakt.
3. Wat kan er gebeuren als de continenten gaan schuiven?
Als de continenten gaan schuiven, komen er nieuwe klimaatgebieden. Hoe dichter een continent naar de evenaar gaat hoe warmer het wordt en hoe dichter naar de polen toe, hoe kouder het wordt.
4. Hoe bepaal je een paleoklimaat?
Een paleoklimaat kunnen wetenschappers bepalen, door te kijken naar wat er in het ijskappen en gletsjers zit. Zoals virussen, bacteriën of gassen.